Een aantal jaar geleden ontmoette ik een jongetje dat met zijn moeder onderweg naar huis was na een demonstratie tegen de oorlog in Irak. “Wij zijn tegen de oorlog”, vertelde het jongetje mij vol trots. “Goed zo,” reageerde ik, “je weet goed waar je voor staat.” Hierna keerde het jongetje zich om en vroeg: “Mam, wat is oorlog?”
Zoals dit jongetje zich voelde voel ik mij na twee weken in de Nationale DenkTank. We zijn voor meer vertrouwen. Vertrouwen in de politie, vertrouwen in de rechtspraak, in de financiele zekerheid, in de wetenschap, en in “de burger”. Maar kan iemand ons even uitleggen wat vertrouwen eigenlijk is? En stel dat we die vraag beantwoord zouden hebben, willen we dan nog steeds wel meer vertrouwen?
Volgens de onderzoekers van de WRR gaat het niet om vertrouwen maar om betrokkenheid. Volgens onze mede-DenkTankers die over de politie nadenken gaat het om gezag. Het groepje dat over wetenschappelijk gefundeerd beleid nadenkt heeft het steeds over draagvlak. Maar naar mijn mening zijn deze termen volstrekt inwisselbaar als je ze niet helder definieert. Op dit punt laten zowel de WRR als wijzelf het voorlopig lelijk afweten.
Totnutoe zijn er twee sprekers geweest die een poging deden dit punt op te helderen. Liesbeth Noordegraaf – Eelens van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur was de eerste. Zij citeerde de socioloog Niklas Luhmann: “vertrouwen is de reductie van complexiteit”. Hiermee doelen Noordegraaf en Luhmann op het feit dat er altijd vele toekomstscenario’s mogelijk zijn, maar iemand die vertrouwt houdt maar met één ervan rekening (“Mijn partner zal mij nooit bedriegen”).
De tweede was professor Tom Postmes van de Rijksuniversiteit Groningen. Hij definieert vertrouwen in termen van een “wij-zij”-onderscheid: enkel door een onderscheid te benoemen nemen mensen een sociale identiteit aan en gaan daarnaar handelen. Door bijvoorbeeld het woord “feminisme” te gebruiken identificeren mensen zich onmiddellijk met hun sociale identiteit als man of vrouw. Dit leidt ertoe dat ze mensen met dezelfde identiteit (andere mannen respectievelijk vrouwen) als zichzelf gaan behandelen. En dit is volgens Postmes vertrouwen.
Zijn deze definities verenigbaar? Of zitten ze er allebei naast, en is vertrouwen nog iets heel anders? Dit lijkt me een cruciale vraag voor ons. Zoals DenkTanker Hans vroeg, terwijl hij wat verdwaasd de ontbijtzaal rondkeek: “Waar zit het vetrouwen?” Hij bedoelde het misschien niet zo, maar voor mij gaf deze uitspraak de sfeer van twee weken Zomerschool perfect weer.







